30-plusser kan toch MBO-opleiding volgen
Jaarlijks
zullen 47.000 30-plussers toch
een mbo-opleiding kunnen volgen. De financiering wordt beperkt tot 2 jaar en er wordt
een hogere bijdrage gevraagd van werknemers en werkgevers. Dit heeft het kabinet
besloten op voorstel van
minister Van Bijsterveldt van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap
(OCW). Het alternatief biedt
vooral de zorgsector en de technische sector goede mogelijkheden om snel voldoende personeel op te leiden.
In het regeerakkoord is een leeftijdsgrens van 30 jaar voor publieke bekostiging
van mbo-opleidingen geïntroduceerd.
Uitgangspunt daarbij is dat het leven lang
leren primair een verantwoordelijkheid is van werkgevers en werknemers. Tijdens het debat over de regeringsverklaring heeft
minister-president Rutte toegezegd
in overleg te gaan met sociale partners om te bezien
hoe het scholingsaanbod voor
30-plussers overeind kan blijven. Uit intensieve gesprekken die afgelopen tijd zijn gevoerd,
is gebleken dat er voldoende draagvlak
bestaat voor een alternatief voorstel waarmee een groot deel
van het bekostigde onderwijs
voor mbo-deelnemers ouder dan 30 jaar
blijft gehandhaafd.
Arbeidsmarktgericht programma
In het voorstel komt er
een nieuw, arbeidsmarktgericht programma voor 30-plus-studenten. Er komen landelijke, sectorale afspraken tussen sociale partners en mbo-instellingen over de hoofdlijnen
van het onderwijscurriculum en verkorting
van de opleidingsduur. 30-plus studenten
worden niet langer verplicht om burgerschapsonderdelen te volgen. Er
wordt vanuit gegaan dat deze
kennis op de werkvloer dan wel bij
een eerdere opleiding is verworven. De
30-plus-studenten worden wel
verplicht om uiteindelijk aan alle andere eisen
van het kwalificatiedossier te
voldoen.
Financiering
Het nieuwe arbeidsmarktgerichte
arrangement zal deels worden gefinancierd door de overheid (het ministerie van OCW
circa 50 miljoen euro, het ministerie
van VWS circa 20 miljoen euro). Er
zal echter ook, conform het regeerakkoord, een hogere bijdrage
worden gevraagd van werkgevers en werknemers door een verhoging van het cursusgeld. De opbrengsten van investeringen in scholing van werknemers komen immers vooral terecht
bij de werknemers en werkgevers zelf.
Belastingvoordeel werkgevers
Wel kunnen werkgevers rekenen op een extra belastingvoordeel (verhoging afdrachtvermindering voor de BBL)
mits zij een substantieel deel van de kosten van het cursusgeld voor hun rekening nemen.
Hiermee wordt gestimuleerd dat werkgevers hun personeel financieel ondersteunen om een opleiding te
volgen. Deze aanvullende afdrachtvermindering wordt gefinancierd door de bredere regeling afdrachtvermindering onderwijs te vereenvoudigen.
bron: AgriHolland - Ministerie van OCW, 11/03/11